Anti-Joodse maatregelen

In de eerste weken van de bezetting lieten de nazi's de Joden met rust, al gingen fanatieke NSB’ers al snelover het lastigvallen van Joden. Daar bleef het echter niet bij. Het eerste, op 1 juni 1940 uitgevaardigde verbod om een functie bij de luchtbescherming te vervullen, leek nog vrij onschuldig. Maar toen er twee maanden later een verbod op het ritueel slachten kwam, werd de gelovige Jood in het hart geraakt. Typerend was hoe de nazi’s dit als een diervriendelijke maatregel verhulden. Langzamerhand werden de Joden in Nederland steeds meer als groep van de overige bevolking gescheiden. Er werd een hele reeks voorschriften vastgesteld. Zo moesten Joden uit het culturele leven verwijderd worden, werden Joodse zaken speciaal geregistreerd en werd nauwkeurig omschreven wie als Jood beschouwd werd.

Na de verplichte Ariërverklaring volgde het ontslag van de Joodse werknemers bij de overheid spoedig. Zij moesten de departementen, gemeentehuizen, universiteiten en scholen verlaten. Deze ontslagen kwamen voor de meeste Joden harder aan dan welke papieren maatregel ook; wie ontslag kreeg, werd volledig buitengesloten. Knokpartijen in de Joodse buurt in Amsterdam verhoogden de grimmigheid. Steeds meer niet-Joodse Amsterdammers kozen de kant van hun gediscrimineerde stadgenoten. Een razzia, waarbij vierhonderd Joodse mannen werden gearresteerd, deed de vlam pas echt in de pan slaan. Op 25 februari 1941 brak de Februaristaking uit. Woede over de jacht op Joden, verbittering over de groeiende armoede en onvrede onder de arbeiders vormden de achtergrond. Ondanks de protesten reed korte tijd later vanuit Amersfoort de eerste trein met gearresteerden uit kamp Schoorl naar het concentratiekamp Buchenwald. Wie overleefde, werd later naar Mauthausen gezonden.

In het jaar 1941 werd de scheiding tussen Joden en niet-Joden steeds rigoureuzer doorgevoerd. Bij cafés, zwembaden, sportvelden, musea, dierentuinen, bibliotheken, schouwburgen, markten en tal van andere openbare gelegenheden kwam het bord 'Voor Joden verboden'. De Joden moesten hun geld inleveren en hun bedrijven werden in beslag genomen. Bij verenigingen moesten ze worden geroyeerd. In november mochten zij zelfs niet meer zonder toestemming reizen. Op 2 mei 1942 werd het dragen van de Jodenster verplicht gesteld. Niet lang daarna werd begonnen met het deporteren van de Joden in Nederland. Voor dit doel werd kamp Westerbork op1 juli 1942 in gebruik genomen als Polizeiliches Judendurchgangslager.