Duits-Joodse vluchtelingen

Na de machtsovername van Hitler in 1933 kwamen vrij spoedig de eerste anti-Joodse maatregelen in Duitsland. Hoewel er Joden naar de omringende landen vertrokken, ging de grotendeels geassimileerde gemeenschap er aanvankelijk nog van uit dat de regering van Hitler van korte duur zou zijn en nam een afwachtende houding aan. Veel Joden hadden tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Duitse leger gediend en voelden zich voor alles Duitser.

Met de boekverbrandingen van het werk van Joodse schrijvers, de invoering van de Neurenberger rassenwetten en de niet aflatende haatcampagne van de nazi’s werd duidelijk dat de situatie voorlopig niet zou verbeteren. Ook de Oostenrijkse Joden, die na de Anschluss op 13 maart 1938 onder het nazibewind terechtkwamen, merkten de gevolgen onmiddellijk. Joodse families werden buitengesloten en in het vervolg met de nek aangekeken.

In de nasleep van de Reichkristalnacht, die plaatsvond in de nacht van 9 op 10 november 1938, vond de eerste grootscheepse arrestatie van Joden plaats. Joodse mannen werden opgepakt en weggevoerd naar kampen als Sachsenhausen en Dachau. Velen van hen werden na twee maanden vrijgelaten nadat ze een verklaring hadden moeten ondertekenen dat ze Duitsland zo snel mogelijk zouden verlaten.

Families die niet gezamenlijk konden wegkomen, lieten hun kinderen onder meer naar Nederland, Frankrijk of Zwitserland vertrekken met de kindertransporten. De tocht van de St. Louis, het schip waarmee een groot aantal Duitse Joden Duitsland in mei 1939 probeerde te ontkomen, maakte duidelijk dat de Duits-Joodse vluchtelingen niet overal op gastvrijheid hoefden te rekenen. Desondanks wist een aanzienlijk deel van de oorspronkelijke gemeenschap Duitsland te ontvluchten. Op 10 mei 1940 bevonden zich circa 30.000 vluchtelingen in Nederland.