Joods leven tot 1940

Vlak voor de Tweede Wereldoorlog leefden er in Nederland zo’n 140.000 Joden, die verspreid over het hele land hun eigen gemeentes en synagogen hadden. De gemeentes van Rotterdam, Den Haag en met name Amsterdam waren met afstand de grootste.

Hoewel er zich tijdens de Middeleeuwen al Joden in Nederland vestigden, kwam de eerste grote groep aan het eind van de 16e eeuw vanuit Spanje naar Nederland, later gevolgd door groepen uit Oost-Europa. Doordat Joden geen toegang kregen tot de meeste gilden, werden ze gedwongen om zich te richten op de vrije beroepen. Velen hielden zich bezig met de handel, werden bankier, arts of advocaat. Onder het bewind van koning Lodewijk Napoleon verbeterde de positie van Joden, waarna de gemeenschap zich in toenemende mate een plek kon verwerven binnen de Nederlandse samenleving. In veel plaatsen ontstonden Joodse gemeentes met eigen synagogen en verenigingen.

Tijdens de eerste decennia van de twintigste eeuw, toen de gemeentes weer in aantal terugliepen doordat vele gezinnen naar de grote steden trokken, leefden de Joden in Nederland grotendeels een geassimileerd bestaan.