Aantallen

Naar schatting 25.000 Joodse Nederlanders hebben geprobeerd aan deportatie te ontkomen door onder te duiken. De beslissing onder te duiken was alle gevallen bijzonder moeilijk. De SD en Nederlandse handlangers controleerden streng en joegen op Joden. Onderduiken betekende dat men ‘onzichtbaar’ moest worden.

Voor de onderduik was over het algemeen veel geld nodig. Er waren vrijwel geen onderduikadressen beschikbaar waar onderduikgevers in staat en bereid waren de mensen geheel te onderhouden. Het vervoer was eveneens een groot probleem: auto’s waren er nauwelijks en reizen met het openbaar vervoer was door intensieve controles vrijwel onmogelijk.

Sommige ouders gaven hun kinderen mee aan vertegenwoordigers van onderduikorganisaties, waarbij ze in een permanente staat van ongerustheid kwamen te leven. Soms haalden ze hun kinderen terug, soms stelden ze als voorwaarde dat ze hun kinderen bij deportatie wilden meenemen. Enkele ouders besloten al op voorhand van een dergelijke onderduik af te zien.

Zoals de ouders van Jenny Herztberger-Gold (1926), toen woonachtig in Limburg:

‘In die tijd is Louis Tas bij mijn moeder gekomen omdat hij voor mij een onderduikadres in Amsterdam zou kunnen krijgen. De ouders van een vriend, Frits Dekking, konden dat regelen. Maar mijn moeder wilde niet. Ze vond het te ongewis, een meisje alleen, boven de grote rivieren en nog wel in Amsterdam! Ik ben dus niet ondergedoken. Eigenlijk was ik blij dat mijn moeder het niet goed vond. Ik vond het idee om alleen onder te duiken zelf ook eng.’ 

Van de Joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog in ons land onderdoken heeft mogelijk tweederde de oorlog overleefd. Door het verborgen karakter van de onderduik is geen exact getal bekend.