Organisaties

De ondergedoken Joden kregen in de regel hulp van niet-Joodse Nederlanders. Organisaties als de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers en studenten van het Utrechts Kinderencomité hielpen Joodse volwassenen en kinderen uit het openbare leven te verdwijnen. Dit was uitermate riskant. Het waren niet alleen zenuwslopende werkzaamheden, het risico van de doodstraf bij ontdekking was voortdurend aanwezig.

Er zijn indrukwekkende staaltjes van moed en medemenselijkheid bekend. Uit de kindercrèche, aan de overkant van de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam, zijn bijvoorbeeld ruim 600 kinderen weggehaald, altijd met toestemming van de ouders. Daarbij zijn veel trucs gebruikt, vooral bij wandelingen. Een Duitse bewaker was belast met het tellen van de kinderen, maar hij werd voortdurend misleid. Er stond onder normale omstandigheden geen bewaker voor de crèche, wel aan de overkant voor de Hollandsche Schouwburg. Er tussendoor reed een tram. Het kwam geregeld voor dat een illegaal werker met een kind op de arm de crèche uitkwam bij het passeren van een tram, onder dekking met de tram mee sprintte en dan met het ontvoerde kind bij de volgende halte instapte. Vrijwel altijd gadegeslagen door de passagiers. Één van de kinderredders zei na de oorlog:

‘De hele tram begon te lachen, ze hadden allemaal gezien waar we vandaan kwamen, maar niemand heeft ons verraden.’

De kinderen die uit de crèche aan de Plantage Middenlaan ontsnapten werden ondergebracht op adressen in heel Nederland. Ze kwamen vooral terecht in Limburg en Friesland, waar de kinderen vaak naar school gingen en de oorlog ongedeerd doorkwamen.