Verraad

Enige duizenden ondergedoken Joden zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog verraden. Soms was er antisemitisme in het spel, soms hadden verrader en onderduiker ruzie. Vaak werden opgepakte Joden en verzetsmensen via mishandelingen gedwongen adressen op te biechten.

Vanaf 1943 ontvingen medewerkers van de Sicherheitsdienst (SD) een premie voor elke Jood die zou worden opgepakt. In de grote steden kwamen ook enkele afdelingen van politie in aanmerking voor die beloning. In Amsterdam pakte de Colonne Henneicke tussen maart en september 1943 ruim 8.000 Joden op. Voor elke opgepakte Jood kregen de leden minimaal 7,50 gulden ‘kopgeld’. In de herfst van 1944 waren de premies opgelopen tot 40 gulden per Jood. Tijdens arrestaties en verhoren schuwden leden van de Colonne Heinecke geweld niet.

De 41-jarige David Sanders werd in 1943 alle tanden uit de mond geslagen om hem de onderduikadressen van zijn kinderen te laten vertellen. Sanders moest toegeven: Marleentje (8) en Bertje (4) werden dezelfde dag nog in Sliedrecht opgehaald. De familie overleefde de oorlog niet. Na de oorlog zei de onderduikgeefster van de kinderen, mevrouw Hollebrands, tegen de politie:

‘Met grote angstogen stond Marleentje bij mij […] en vroeg mij […] of het waar was dat haar broertje en zij met die man mee moesten. Ik stelde haar gerust en zei dat zij naar hun ouders zouden worden gebracht. Mijn hart brak bij al die ellende, want ik begreep wat die kinderen te wachten stond.’