Aantallen

In de eerste maanden van 1945 werden de concentratie- en vernietigingskampen in Oost-Europa bevrijd. Er bleken nog maar weinig Nederlandse Joden in leven. Begin 1945 bevrijdde het Russische leger 854 uitgemergelde Nederlandse gevangenen in Auschwitz-Birkenau. In april werden 1.800 gevangenen uit Bergen-Belsen in een trein in Tröbitz aangetroffen, terwijl 200 Nederlandse Joden uit hetzelfde kamp zich in Maagdenburg bevonden. In Theresienstadt werden begin mei zo’n 2.000 Joden bevrijd. Enkele honderden Joodse gevangenen werden in kleinere kampen in Oost-Europa bevrijd. Uit Sobibor zijn slechts 18 Joden uit Nederland  teruggekeerd. Twee van hen hebben  er daadwerkelijk verbleven. De anderen werden  in Sobibor geselecteerd om in andere kampen te werken.

De Joodse kampgevangenen begroetten de bevrijding veelal met ongeloof. In veel kampen beseften de meeste mensen niet dat ze vrij waren. Honger, kou en uitputting beheersten hun gedachten. Zodra de mogelijkheid er was, gingen de gevangenen op zoek naar eten. De kampoverlevenden hadden enige weken nodig om op krachten te komen. Daarna nam ergernis de overhand. Gebrek aan vervoer, slechte wegen en gebrekkige communicatie zorgden voor vertraging bij de terugkeer naar Nederland. De hulp voor Nederlandse slachtoffers kwam later op gang dan die voor overlevenden uit andere landen.

Carla van Lier werd op 1 mei in kamp Malchow bevrijd. Enkele dagen later hoorde zij in een ziekenbarak naast zich:
“O moeder waarom brengen ze me niet naar Amsterdam, naar m’n kind? Waarom komen ze me niet halen?” Het was Lea Tailleur, die enkele dagen later stierf. Groepsgewijs naar land van herkomst werd de één na de ander afgevoerd. Wanneer zou Holland aan de beurt zijn? Want dat had zich als een idée-fixe in me geworsteld – naar Amsterdam! Naar Amsterdam! De dagen waren zo lang… de nachten ook. Wat speelde zich toch af in de administratieve wereld?’