Joodse gemeente na 1945

Van de ongeveer 140.000 Joden die rond 1940 in Nederland woonden, overleefden 30.000 de Tweede Wereldoorlog. Voor hen zag de wereld er geheel anders uit dan voor niet-Joodse Nederlanders. Alsof het verlies van (soms alle) familieleden en vrienden en het gemis aan sociale omgeving nog niet genoeg was om te dragen, waren velen hun huis, werk en bezittingen kwijt. De jarenlange ervaringen van angst, vernedering, ziekte, kou, honger en uitputting betekenden bovendien voor de meesten een breekpunt in hun leven.

Onderduikoverlevende Edith van Hessen schreef over de dag dat ze werd bevrijd:

‘Die dag bracht het einde van de angst en het begin van het leed.’

Bijna 5.000 Joden besloten kort na de bevrijding te emigreren. De mensen die achterbleven moesten het Joodse gemeenschapsleven weer vanaf de grond opbouwen: er was bijna geen Joodse gemeente die niet haar leraar of voorganger had verloren en in de meeste plaatsen waren de synagogen verwoest.

Veel Joodse Nederlanders trokken zich terug in een beschermde omgeving. Tot een Joodse gemeente wilde men niet meer behoren. Bij de volkstelling in 1960 gaven van de 25.000 Joden in Nederland maar 15.000 aan bij een Joodse gemeente te zijn aangesloten. Tien jaar later was dit aantal gedaald tot minder dan 5.000. Pas in de loop van de jaren zestig kwam er een einde aan het lange zwijgen.

Onder meer het proces tegen nazi-bureaucraat Adolf Eichmann in Jeruzalem, de monumentale televisieserie De Bezetting van dr. L de Jong, het boek De Ondergang van Jacques Presser en de discussie rond de vrijlating van de ‘Drie van Breda’ - de laatste drie gevangen Duitse oorlogsmisdadigers in Nederland - maakten het leed en de geschonden gevoelens van de Joodse gemeenschap in de loop van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw opnieuw zichtbaar.