Opvang

Veel bevrijde Joodse gevangenen zijn aanvankelijk per voet uit hun kamp vertrokken. Sommigen wilden niet op georganiseerd vervoer wachten. Anderen konden het idee niet verdragen, dat ze nog langer in een concentratiekamp moesten blijven.  

De terugkeer in Nederland werd voor de Joodse kampgevangenen een grote teleurstelling. De Nederlandse bevolking had weinig oog en oor voor de kampoverlevenden en de overheid handelde formeel en bureaucratisch. Met het tragische verleden van de kampgevangenen wilde of kon men geen rekening houden; de regels waren dezelfde als voor andere gerepatrieerden. Sommige Nederlanders reageerden antisemitisch op de terugkeer van de Joden. Auschwitz-overlevende Ab Caransa ging enkele weken na aankomst op bezoek bij zijn vroegere werkgever. Hij vroeg hem tevergeefs om een voorschot: ‘Waarom? Jullie hebben toch al die tijd onderdak en voedsel gehad?’

De meeste Joden werden na aankomst in Nederland in eerste instantie in repatriëringskampen ondergebracht. Enkele kampoverlevenden kwamen daarbij terecht in kampen waar inmiddels NSB’ers gevangen zaten. Tussen de nieuwe en oude gevangenen werd geen onderscheid gemaakt. Andere Joden gingen op zoek naar hun voormalige bezittingen. Veel was er niet meer over: het huis was vaak ingenomen door een ander, niet-Joods gezin, de inboedel verdeeld of verkocht.

Voor onderduikers gold hetzelfde. De jonge Truus Stern keerde direct na de bevrijding terug bij het huis waarin zij, haar broer en ouders jaren hadden gewoond:

‘Ik belde aan, een vrouw deed open, en ik noemde mijn naam. Het bleek dat zij mij helemaal niet terug verwacht had. Van onze spullen wist ze niets. Maar terwijl ik met haar stond te praten zag ik achter haar in de gang mijn boekenkastje hangen, met het gele gordijntje dat ik zo mooi gevonden had, er nog voor.’