HAARLEM  (Noord Holland)

Inclusief: Bennebroek, Bloemendaal, Haarlemmermeer, Heemstede, Schoten, Spaarndam

 

 

 

Omvang

 

 

1941

 1826

 

 

1945    

± 200

 

 

Nu

   120

 

 

 

Voor de Tweede Wereldoorlog

De synagoge (1841) stond aan de Lange Begijnenstraat. In Haarlem was een joodse begraafplaats (1877) aan de Amsterdamse Vaart. In de omgeving waren er echter nog drie andere begraafplaatsen: een (1797) aan de Tetterodeweg te Overveen, een (1907) aan de Brederodelaan te Santpoort-Zuid en een (1931) aan de Vijfhuizerweg te Hoofddorp. In 1930 werd er in Haarlem een joods ziekenhuisje bij het St. Elizabeth Gasthuis aangebouwd. Dit werd gedaan m.b.v. een nalatenschap van de heer Joles, waardoor het gebouw 'Jolesziekenhuis' genoemd werd. In 1936 werd Haarlem de residentie van het provinciale opperrabbinaat. Philip Frank werd benoemd tot opperrabbijn. In de jaren dertig vluchtten 180 joodse vluchtelingen uit Duitsland en Oostenrijk naar Haarlem.

 

Tijdens de Tweede Wereldoorlog

Op 23 augustus 1942 kregen veel joden jonger dan 60 jaar de oproep zich voor  de Arbeitseinsatz in Duitsland te melden bij de school aan de Westergracht. Slechts 100 meldden zich daadwerkelijk. Er werd toen een razzia gehouden en 170 joden werden gedeporteerd. In januari 1943 werd er een doodgeschoten Duitse soldaat gevonden. De oorzaak was onbekend, maar waarschijnlijk was er sprake van een dronkemansruzie. Er werd een aantal gijzelaars opgepakt, waaronder opperrabbijn Frank. Drie dagen later werd Frank gefusilleerd. Van februari tot april 1943 moesten de ongeveer duizend laatste joden naar de jodenwijk in Amsterdam verhuizen. Van daaruit werden zij via kamp Westerbork naar 'het Oosten' gedeporteerd. De synagoge werd door NSB'ers vernield. De joodse begraafplaats in Haarlem werd door Duitse soldaten als machinegeweerstelling gebruikt. Het Jolesziekenhuis werd na ontruiming bij het St. Elizabeth Gasthuis gevoegd.

 

Na de Tweede Wereldoorlog

Slechts tien joden keerden terug uit de kampen. De meeste joden wisten de oorlog te overleven dankzij de onderduik. De niet te restaureren synagoge werd in 1949 verkocht en in datzelfde jaar werd er een nieuwe gebouwd aan het Kenaupark 7. De joodse begraafplaats in Haarlem is gerestaureerd.

 

Sporen

·       Plaquette (1980) in een muur van een pand aan de Lange Begijnenstraat: op deze plek stond in de oorlog een synagoge. De plaquette herinnert aan de joodse oorlogsslachtoffers.

·       Plaquette in de muur van de synagoge aan het Kenaupark 7: ter herinnering aan het fusilleren van de gijzelaars in 1943, waaronder opperrabbijn Frank.

·       De gerestaureerde joodse begraafplaats aan de Amsterdamse Vaart te Haarlem.

·       Monument bij de ingang van de joodse begraafplaats aan de Vijfhuizerweg te Hoofddorp: ter nagedachtenis aan de Liberaal-joodse slachtoffers.

·       Het voormalige onderduikershuis aan de IJweg te Nieuw-Vennep.

·       Het Ten Boom Huis aan de Barteljorisstraat 19 te Haarlem: dit is een museum over de tijdens de oorlog vanuit dit pand opererende verzetsgroep BeJe. De slaapkamer van Corrie met daarin de schuilplaats zijn in authentieke staat hersteld.

·       Gedenkplaat (1988) aan de gevel van het Ten Boom Huis: hierop staan de namen van de 4 omgekomen familieleden.

 

Diversen

In de Barteljorisstraat 19 te Haarlem was tijdens de oorlog de 'Horlogerie Ten Boom' gevestigd, een familiebedrijf sedert 1837. Hier hebben veel joden en verzetsstrijders gedurende korte tijd ondergedoken gezeten.

Vader Casper ten Boom en zijn dochters Corrie en Betsie hebben uit geloofsovertuiging hulp geboden aan iedereen die in nood bij hen aanklopte. Samen met Casper's zoon Willem en diens zoon Christiaan vormde de familie met nog anderen de 80 leden tellende BeJe-groep, genoemd naar de Barteljorisstraat. De horlogerie werd als opvang- en doorgangshuis gebruikt, vanwaar onderduikers naar boerderijen buiten de stad gesmokkeld werden. Op deze wijze zijn er honderden mensen, voornamelijk joden, gered.

BeJe werd op 28 februari 1944 verraden en door de Gestapo overvallen. Vier Joden en twee verzetsstrijders wisten tijdig een schuilplaats in een geheime ruimte in Corries kamer te bereiken. Deze schuilplaats was zo goed gemaakt, dat de Duitse soldaten deze zelfs na een intensieve zoekactie van drie dagen niet konden vinden. Toen het pand daarna bewaakt werd door Haarlemse politieagenten, zijn op een gegeven moment de roosters dusdanig gewijzigd dat de 'goeden' op wacht kwamen. De onderduikers konden toen worden bevrijd en hebben alle zes de oorlog overleefd.

De overige onderduikers en hun helpers werden gearresteerd en weggevoerd. Casper, Betsie en Christiaan kwamen om in de kampen. Willem stierf in 1946. Alleen Corrie overleefde de oorlog. Ze had in Ravensbrück gevangen gezeten. Sinds 1988 is het Ten Boom Huis een museum.

 

Literatuur

·       M.H. Gans, Memorboek. Platenatlas van het leven der joden in Nederland van de middeleeuwen tot 1940 (6e druk; Baarn 1988), p. 496 en 805.

·       J. Michman, H. Beem en D. Michman,  Pinkas. Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Nederland (1e druk; Ede 1992), p. 403-408.

·       T. da Silva en D. Stam, ‘Nieuw-Vennep. Joodse onderduikers, 1943-1945’, Sporen van de oorlog. Ooggetuigen over plaatsen in Nederland, 1940-1945 (Amsterdam 1989), p. 115.

·       T. da Silva en D. Stam, Sporen van de oorlog. Ooggetuigen over plaatsen in Nederland, 1940-1945 (Amsterdam 1989), p. 193.

·       J. Stoutenbeek en P. Vigeveno, Joods Nederland. Een cultuur-historische gids (Amsterdam 1989), p. 114-120. 

·       J. Presser, Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945 II (Den Haag 1965), p. 248-250.