|
Inclusief:
Bennebroek, Bloemendaal, Haarlemmermeer, Heemstede, Schoten, Spaarndam
|
|
De
synagoge (1841) stond aan de Lange Begijnenstraat. In Haarlem was een
joodse begraafplaats (1877) aan de Amsterdamse Vaart. In de omgeving waren
er echter nog drie andere begraafplaatsen: een (1797) aan de Tetterodeweg
te Overveen, een (1907) aan de Brederodelaan te Santpoort-Zuid en een
(1931) aan de Vijfhuizerweg te Hoofddorp. In 1930 werd er in Haarlem een
joods ziekenhuisje bij het St. Elizabeth Gasthuis aangebouwd. Dit werd
gedaan m.b.v. een nalatenschap van de heer Joles, waardoor het gebouw
'Jolesziekenhuis' genoemd werd. In 1936 werd Haarlem de residentie van het
provinciale opperrabbinaat. Philip Frank werd benoemd tot opperrabbijn. In
de jaren dertig vluchtten 180 joodse vluchtelingen uit Duitsland en
Oostenrijk naar Haarlem.
|
|
Op
23 augustus 1942 kregen veel joden jonger dan 60 jaar de oproep zich voor
de Arbeitseinsatz in Duitsland te melden bij de school aan de
Westergracht. Slechts 100 meldden zich daadwerkelijk. Er werd toen een
razzia gehouden en 170 joden werden gedeporteerd. In januari 1943 werd er
een doodgeschoten Duitse soldaat gevonden. De oorzaak was onbekend, maar
waarschijnlijk was er sprake van een dronkemansruzie. Er werd een aantal
gijzelaars opgepakt, waaronder opperrabbijn Frank. Drie dagen later werd
Frank gefusilleerd. Van februari tot april 1943 moesten de ongeveer
duizend laatste
joden naar de jodenwijk in Amsterdam verhuizen. Van daaruit werden zij via
kamp Westerbork naar 'het Oosten' gedeporteerd. De synagoge werd door
NSB'ers vernield. De joodse begraafplaats in Haarlem werd door Duitse
soldaten als machinegeweerstelling gebruikt. Het Jolesziekenhuis werd na
ontruiming bij het St. Elizabeth Gasthuis gevoegd.
|
|
·
Plaquette (1980) in een muur van een pand aan de Lange
Begijnenstraat: op deze plek stond in de oorlog een synagoge. De plaquette
herinnert aan de joodse oorlogsslachtoffers.
·
Plaquette in de muur van de synagoge aan het Kenaupark 7:
ter herinnering aan het fusilleren van de gijzelaars in 1943, waaronder
opperrabbijn Frank.
·
De gerestaureerde joodse begraafplaats aan de Amsterdamse
Vaart te Haarlem.
·
Monument bij de ingang van de joodse begraafplaats aan de
Vijfhuizerweg te Hoofddorp: ter nagedachtenis aan de Liberaal-joodse
slachtoffers.
·
Het voormalige onderduikershuis aan de IJweg te
Nieuw-Vennep.
·
Het Ten Boom Huis aan de Barteljorisstraat 19 te Haarlem:
dit is een museum over de tijdens de oorlog vanuit dit pand opererende
verzetsgroep BeJe. De slaapkamer van Corrie met daarin de schuilplaats
zijn in authentieke staat hersteld.
·
Gedenkplaat (1988) aan de gevel van het Ten Boom Huis:
hierop staan de namen van de 4 omgekomen familieleden.
|
|
In
de Barteljorisstraat 19 te Haarlem was tijdens de oorlog de 'Horlogerie
Ten Boom' gevestigd, een familiebedrijf sedert 1837. Hier hebben veel
joden en verzetsstrijders gedurende korte tijd ondergedoken gezeten.
Vader
Casper ten Boom en zijn dochters Corrie en Betsie hebben uit
geloofsovertuiging hulp geboden aan iedereen die in nood bij hen
aanklopte. Samen met Casper's zoon Willem en diens zoon Christiaan vormde
de familie met nog anderen de 80 leden tellende BeJe-groep, genoemd naar
de Barteljorisstraat. De horlogerie werd als opvang- en doorgangshuis
gebruikt, vanwaar onderduikers naar boerderijen buiten de stad gesmokkeld
werden. Op deze wijze zijn er honderden mensen, voornamelijk joden, gered.
BeJe
werd op 28 februari 1944 verraden en door de Gestapo overvallen. Vier Joden en twee verzetsstrijders wisten
tijdig een schuilplaats in een geheime ruimte in Corries kamer te
bereiken. Deze schuilplaats was zo goed gemaakt, dat de Duitse soldaten
deze zelfs na een intensieve zoekactie van drie dagen niet konden vinden.
Toen het pand daarna bewaakt werd door Haarlemse politieagenten, zijn op
een gegeven moment de roosters dusdanig gewijzigd dat de 'goeden' op wacht
kwamen. De onderduikers konden toen worden bevrijd en hebben alle zes de
oorlog overleefd.
De
overige onderduikers en hun helpers werden gearresteerd en weggevoerd.
Casper, Betsie en Christiaan kwamen om in de kampen. Willem stierf in
1946. Alleen Corrie overleefde de oorlog. Ze had in Ravensbrück
gevangen gezeten. Sinds 1988 is het Ten Boom Huis een museum.
|
|
·
M.H. Gans, Memorboek.
Platenatlas van het leven der joden in Nederland van de middeleeuwen tot
1940 (6e druk; Baarn 1988), p. 496 en 805.
·
J. Michman, H. Beem en D. Michman,
Pinkas. Geschiedenis van de
joodse gemeenschap in Nederland (1e druk; Ede 1992), p. 403-408.
·
T. da Silva en D. Stam, ‘Nieuw-Vennep. Joodse
onderduikers, 1943-1945’, Sporen
van de oorlog. Ooggetuigen over plaatsen in Nederland, 1940-1945
(Amsterdam 1989), p. 115.
·
T. da Silva en D. Stam, Sporen van de oorlog. Ooggetuigen over plaatsen in Nederland,
1940-1945 (Amsterdam 1989), p. 193.
·
J. Stoutenbeek en P. Vigeveno, Joods Nederland. Een cultuur-historische gids (Amsterdam 1989), p.
114-120.
·
J. Presser, Ondergang.
De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945 II
(Den Haag 1965), p. 248-250. |