COLUMN: Het transport naar Vittel

17 juli 2018

Robin Hall is zijn naam. Een aardige man. Hij verstaat redelijk Nederlands, maar spreekt nog slechts enkele woorden. Hij is met een Amerikaanse getrouwd en woont in Californië. We besluiten ons gesprek in het Engels voor te zetten. Robin is op bezoek bij zijn nicht in Nederland. Zij heeft vorig jaar haar familiecollectie aan Herinneringscentrum Kamp Westerbork geschonken. Onder de talloze documenten en brieven uit deze schenking bevindt zich een aantal brieven, die door de moeder van Robin vanuit het Franse Interneringskamp Vittel zijn geschreven. Robin wil ze graag voelen en lezen.

Robin vertelt kort zijn familiegeschiedenis. Zijn vader Basil Moscow is geboren in Londen, zijn moeder Hanna de Heer in Amsterdam. Robin ziet op 30 juni 1940 het levenslicht in Amsterdam. Nederland is dan al bezet, maar de anti-Joodse maatregelen, razzia’s en deportaties moeten dan nog beginnen.

Familie Moscow
Terwijl Robin de brieven leest, zoek ik in onze database naar gegevens over zijn vader, zijn moeder en hemzelf. Na het intypen van de familienaam Moscow zie ik 16 namen verschijnen. Twee personen zijn vermoord in Auschwitz, één persoon in Mauthausen en een vrouw van 84 jaar is overleden in kamp Westerbork. De rest van de familie heeft de oorlog overleefd.

Ik vind de naam van Robin en zijn moeder. Ze zijn op 25 maart 1943 in kamp Westerbork terecht gekomen en op 28 juni 1943 doorgestuurd naar Internierungslager Vittel. Dit was een kamp - tussen Dijon en Nancy - waar Joden met buitenlandse nationaliteit heen werden gestuurd om te worden uitgewisseld met Duitse krijgsgevangenen.

Van het transport zelf is weinig bekend. Er is geen transportlijst in ons archief en in het dagboek van de Ordedienst wordt ook niets vermeld. Ik zoek verder naar de dagrapporten van het kamp, de zogenaamde Meldezettel. Ik heb beet. Er wordt melding gemaakt van een geïnterneerden transport van twintig personen.

Vrachtwagen of trein?
Ik ga met deze gegevens terug naar Robin. Hij is net bezig met het lezen van een brief van zijn moeder. Door het potloodschrift is het moeilijk te lezen. Ik beloof hem een scan ervan op te sturen. Deze kan hij dan uitvergroten. Ik confronteer Robin met de gegevens over het transport. Het ontroert hem. Hij kan zich niet meer herinneren hoe ze van Westerbork naar Vittel zijn gereisd. Met een vrachtwagen of met een trein? Hij weet het niet. Uiteindelijk hebben ze daar de bevrijding meegemaakt. Ze zijn nooit uitgewisseld.

Foto’s
Hij laat me een foto uit Vittel zien. Tien vrouwen en twee jongens. Een deel staat, een deel zit op stoelen. De gezichten zijn gericht op de lens van de camera. Met een glimlach. De wat oudere jongen tokkelt op een gitaar. Drie vrouwen omarmen een pakket van het Rode Kruis. De foto is duidelijk in scene gezet. Basil, Robins vader, ontbreekt op de foto. Net als de andere volwassen mannen. Waar zijn ze? Of maken ze - net als Basil - een onderdeel uit van het latere transport naar Vittel op 9 maart 1944?

Robin heeft meer foto’s thuis. Hij zal ze opsturen en de namen van de personen voor ons noteren. Bij het afscheid zegt hij drie keer dank je wel. Met de bus gaat hij terug naar het kampterrein waar hij als twee jarige drie maanden heeft moeten doorbrengen. Hij gaat op zoek naar de plek waar barak 69 stond.

Guido Abuys
Conservator Herinneringscentrum Kamp Westerbork