COLUMN: Haar hele leven in twee koffers en een doosje

14 augustus 2018

Een telefoontje, een paar woorden. Ik weet genoeg: dit kan iets heel bijzonders zijn.

Het telefoongesprek gaat over de nalatenschap van Ellen Silvia Deitelzweig Senior (1907). Zij kwam als Duits-Joodse vluchteling naar Nederland, begin jaren '30. Ze was verpleegster van beroep. Het Apeldoornsche Bosch, een Joodse psychiatrische inrichting, werd haar eerste werkgever in Nederland. ‘Ze was 1.54 groot’, zegt de vrouw aan de andere kant van de lijn. ‘Ze was tenger en taai.’ Een overleefster dus.

Ze e-mailt me de volgende dag: ‘Mijn broer heeft me vanmorgen geholpen met de twee koffers van de vliering te halen. Ze staan voor je klaar, samen  met de doos en de dagboeken van Ellen.’

Met collega Sjaak ga ik drie dagen later op pad. Onze bestemming is Laren. In een enigszins verscholen villa uit de jaren zeventig worden we met koffie ontvangen voor de vrouw die mij belde. Ellen was een goede vriendin van haar onlangs overleden man. Ze had geen kinderen. Haar hele nalatenschap heeft ze aan haar echtgenoot achtergelaten. Na het overlijden van haar man vroeg ze zich af wat een goede locatie zou kunnen zijn om de spullen onder te brengen. Toevallig hoorde ze Radio Westerbork. Het contact werd gelegd.

Ziekenhuis
Ze vraagt: ‘Guido, je wilt zeker eerst de dagboeken zien?’ Ze had ze voorzichtig opgeborgen in een tasje van de winkelketen ICI Paris. Ik pak voorzichtig de schriftjes uit de tas. ‘De onderste is de eerste’, zegt ze tegen mij. Op het groene cahier staat E. Senior. Ik sla de eerste pagina open en lees: 'Westerbork-Hooghalen 6 januari 1943.’ Ellen werkt op dat moment als verpleegster in het ziekenhuis van kamp Westerbork. Het dagboek, bestaande uit drie schriftjes. is gericht aan Lieve Tommy, een goede vriendin uit haar periode bij het Apeldoornsche Bosch. Ik blader de schriftjes vluchtig door en lees over het ziekenhuis, over patiënten, over binnenkomende en uitgaande transporten, over opname van patiënten, patiënten waar afscheid van genomen moet worden. Maar ook over het samenwerken met haar collega’s, artsen en verpleegsters.

Dagelijks leven

Ze schrijft over talloze aspecten van het dagelijkse leven in het kamp, maar vaak ook over zichzelf. Ze is een gedoopte Jodin, leest vaak de bijbel en bezoekt elke zondag de kerkdienst in een barak. Terwijl ik de pagina’s omsla, zie ik een tekening uit kamp Westerbork, documenten uit Theresienstadt, een kaartje met transportnummer dat ze om haar hals moest dragen toen ze vanuit Theresienstadt werd uitgewisseld naar Zwitserland. Het lijken illustraties voor haar tekst.

In Zwitserland maakt Ellen de bevrijding mee. Ze gaat naar de oorlog daar eerst aan de slag als verpleegster en keert in augustus 1945 terug naar Nederland.

We besluiten de koffers en de doos te gaan bekijken. Ze liggen in een soort kelder/garageruimte . Ze liggen gesloten op een tafel. Bij het openen zie ik fotoalbums, documenten en voorwerpen. Het is te veel voor woorden. Ellens hele leven in twee koffers en een doosje.

Terug op het werk begin ik met het lezen van de dagboeken. Ik blijf lezen. Dit is zo bijzonder, hier moeten we iets mee doen. Ik blijf lezen.

Guido Abuys
Conservator Herinneringscentrum Kamp Westerbork