COLUMN: Als muren konden praten..

21 augustus 2018

Als muren konden praten, dan kon één ruimte in het Herinneringscentrum vertellen over verdriet en verbijstering, berusting en blijdschap, ongeloof en vele andere emoties. Het is in die zin een bijzondere plek, het kamertje waar ik bezoekers ontvang met vragen over hun gedeporteerde en vermoorde familieleden.

Met name in de vakantietijd komen bezoekers van het Herinneringscentrum spontaan vragen, of er misschien iets meer te vinden is over specifieke namen. Alles vaak onder het motto ‘nu we hier toch zijn’ … Maar soms is het ook een moeilijke stap, waar al heel lang aarzelend over na werd gedacht voordat de reis naar Hooghalen werd ondernomen. Of gewoon onderdeel van de reis terug naar de familieoorsprong. Wat ook de achtergrond van de vragensteller is, in alle gevallen nemen we als onderzoekers ruim de tijd om samen op zoek te gaan naar antwoorden. Dat doen we meestal in een aparte ruimte, waar de Gedenkboeken van de Oorlogsgravenstichting staan en waar niemand ons kan storen.

Familieleden, buren, schoolkameraadjes
Het zijn de momenten waarop ik weer even met mijn neus op de feiten word gedrukt. De vele namen waar ik dagelijks onderzoek naar doe, zijn veel meer zijn dan alleen maar een naam, een zoektocht in archieven of een stapel documenten. Het zijn familieleden, opa’s en oma’s, tantes en ooms, neven en nichten. Of vrienden, buren en schoolkameraadjes, die allemaal gemist worden of nooit gekend zijn. En dat ik dus bij het beantwoorden van de vragen meer dan alleen een professionele onderzoeker ben, maar ook een luisterend oor en een schouder om even op uit te huilen.

Engels gezin
Dat bleek ook deze week weer bij een bezoek van een Engels gezin, dat tijdens een fietsvakantie ook even het Herinneringscentrum aandeed. Met op haar telefoon de stamboom die haar moeder had uitgezocht, vertelde de vrouw over haar overgrootvader en zijn dochter. Ze waren waarschijnlijk via kamp Westerbork gedeporteerd, hadden mogelijk in Amsterdam gewoond en moesten hun besluit om vlak voor de oorlog niet in Londen te blijven met de dood bekopen, want beiden waren vermoord. Of ik misschien wat meer wist, zo was de vraag.

Al bij het bekijken van het eerste document kwam blijdschap: over het feit dat overopa bij zijn dochter en haar man in huis woonde. En zijn schoonzoon voor de Joodse Raad werkte en daarmee overbrenging naar Westerbork wist uit te stellen tot juni 1943. Ze werd verdrietig toen ze zich realiseerde, dat de oude man helemaal alleen naar Sobibor werd gedeporteerd, terwijl zijn dochter en schoonzoon in kamp Westerbork achterbleven. Vol ongeloof vroeg ze zich af, waarom die twee dan op een transportlijst naar Bergen-Belsen stonden, terwijl ze bij haar onderzoek overlijdensdata in Auschwitz had gevonden. Zo bleven bij elk document dat ik kon laten zien de emoties komen, omdat er steeds meer nieuwe details duidelijk werden.

Tranen
Maar het belangrijkste moment van de middag was voor de vrouw toch zichtbaar een ander moment. Haar kinderen, die eerst verveeld hadden toegekeken, begonnen vragen te stellen over die verre en onbekende familieleden. Aan de hand van mijn droge feiten vertelde ze hen met tranen in de ogen het verhaal van drie mensen. Mensen die ze zelf ook alleen maar kende uit de verhalen van haar eigen moeder. Met een envelop vol printjes vervolgden ze uiteindelijk hun fietstocht en ik realiseerde mij, hoe hier een familiegeschiedenis werd overgedragen. Met meer afstand, met minder verdriet, maar toch opnieuw een bevestiging van het gedicht van Leo Vroman:

Kom vanavond met verhalen hoe de oorlog is verdwenen, en herhaal ze honderd malen: alle malen zal ik wenen.

Jose Martin
Onderzoeker Herinneringscentrum Kamp Westerbork