COLUMN: De draad weer oppakken

16 oktober 2018

De eerste maanden na de oorlog drong ook in Nederland langzamerhand het lot van de honderdduizend doorgevoerde Joden door. Briefwisselingen en getuigenissen van overlevenden gaven een steeds duidelijker beeld van wat er na kamp Westerbork met hen was gebeurd. Wij kregen afgelopen tijd weer een aantal van die brieven in ons bezit.

Zo schreef Holocaust-overlevende E. van Gelder aan twee voormalige onderduikgevers op 24 juni 1945: ‘Twee weken geleden ben ik in het vaderland teruggekeerd.’ Van Gelder was via de strafgevangenis van Scheveningen op 2 september 1944 in kamp Westerbork terecht gekomen en een dag later doorgestuurd naar Auschwitz-Birkenau. Hierover schreef hij: ‘Auschwitz was een vernietigingskamp zoals de Duitsers het zelf noemden, men kon er niet lang blijven leven. Na 2.5 halve maand kwam ik in het ziekenhuis terecht en dit werd mijn redding. Toen het Russische winteroffensief begon in de buurt van ons kamp, werd het kamp geëvacueerd en ieder die lopen kon moest mee. De zieken en het verplegend personeel bleven achter. Wel lag het in de bedoeling ons te mitrailleren, maar dit werd verhinderd door de snelle opmars van het Rode leger. Zo werden wij op 27 januari bevrijd. Uit Auschwitz zullen niet veel mensen terugkomen. Degene die het laatst gekomen zijn, zoals ik hebben nog de meeste kans. Ik was dus niet voor niets 25 maanden ondergedoken.’

‘Niets gehoord’
Een maand later ontvingen de onderduikgevers weer een brief. Ditmaal van Elfriede Jacobowitz-Ollendorf. Haar zus en broer zaten bij deze mensen ondergedoken: ‘Toen Hansi en mijn broer van lager Westerbork naar Auschwitz moesten vertrekken, gaven zij mij uw adres en vertelden mij dat u zo vriendelijk was dingen van hun te willen bewaren. Sinds deze tijd heb ik helaas niets meer van hen gehoord en vrees dus dat zij het niet vol hebben kunnen houden. Ik zelf ben toen met mijn twee dochters in Westerbork gebleven, met september ’44 moesten wij dan nog naar het concentratiekamp Theresienstadt, waarvandaan ik tamelijk wel hiernaartoe ben gerepatrieerd. Mijn dochters moesten daar vandaan nog naar andere KZ’s en alleen die ene is in Holland terug, erg zwak nog, met 83 pond, maar ik hoop dat zij langzaam bij zal komen. Aan het idee dat mijn jongste er niet meer is, kan ik nog niet wennen.’

Meubels
De draad moest wel weer worden opgepakt. Het leven ging door. De schrijfster was bezig met het regelen van een woning voor haar herstellende dochter, die moest worden ingericht. De spullen van haar schoonzus en broer zouden een eerste stap kunnen zijn. ‘Kunt u mij zeggen wat er nog bij u is? Mijn broer vertelde iets van kisten en houten tonnetjes’, vroeg Elfriede Jacobowitz-Ollendorf aan de onderduikgevers.

Op deze meubels nog bij de onderduikfamilie stonden, vertellen de brieven ons niet. Waarschijnlijk zullen we dat nooit te weten komen.

Guido Abuys
Conservator Herinneringscentrum Kamp Westerbork