COLUMN: Bestek uit het Apeldoornsche Bosch

13 november 2018

‘Ik heb bestek uit het Apeldoornsche Bosch. Hebben jullie daar belangstelling voor?’, zo schreef ze mij in een e-mail. Ik belde haar op. Ze kocht regelmatig delen uit vrijgekomen inboedels op, die ze vervolgens in haar huisje vol antiek en curiosa te koop aanbood. ‘Aan dit soort dingen wil ik geen geld verdienen. Meestal geef ik het aan een goed doel. Maar deze bestekdelen, nee, dat is niet zomaar iets.’ Ze zocht een goede bestemming. Of ik even langs wilde komen.

Vorige week maakte ik met een vrijwilliger een ronde door het land om spullen op diverse plekken op te halen. Ik belde bij haar aan. Er werd niet opengedaan. We besloten nog even te wachten. We waren immers iets te vroeg. Ik keek naar binnen. Het huisje stond vol spullen. Misschien is dit haar winkel en woont ze ergens anders. Na een minuut of tien besloot ik te bellen. Ze nam de telefoon meteen op. Ze had de bel niet gehoord, omdat ze onder de douche stond. Kort daarna deed ze open: een hartelijke vrouw van in de vijftig.

Twee lepels, een vork en een theelepel

Vanwege ruimtegebrek was de eettafel tegen de muur aangeschoven. We namen plaats. Ze was blij dat we langskwamen. Ondertussen zette ze koffie en vertelde ze over haar winkeltje, het inkopen, schoonmaken en restaureren van de voorwerpen, voordat het in de verkoop ging. Het was geen vetpot, meer een hobby. Ze deed het met veel gevoel en liefde. Ze schoof me een plastic zakje toe. Ik maakte het open en pakte voorzichtig het met een touwtje aan elkaar gebonden bestek eruit. Twee lepels, een vork en een theelepel. Op elk voorwerp stond op de achterkant Apeldoornsche Bosch.

Apeldoornsche Bosch

Het drama van het Instituut voor geestelijk gehandicapte Joodse patiënten werd vervolgens ons gespreksonderwerp. De Ordedienst van kamp Westerbork moest in januari 1943 op bevel van de Duitse bezetter meehelpen met de evacuatie van patiënten en personeel. Maar ze kwamen een dag te vroeg. Die dag te vroeg gaf een deel van het Joodse personeel de mogelijkheid de benen te nemen, om op deze manier aan deportatie naar Auschwitz te ontkomen. Onder hen bevonden zich soms ook ‘patiënten’, die het Apeldoornsche Bosch hadden gebruikt als een tijdelijke veilige haven. De echte patiënten waren natuurlijk kansloos. Ze hadden geen flauw benul wat hen de volgende dag zou overkomen. Dit in tegenstelling tot het personeel, dat bij de patiënten besloot te blijven. 

De vraag is natuurlijk hoe het bestek in handen is gekomen van de oude man, van wie ze het heeft gekregen. Hij kan het niet meer vertellen. Hij woonde in de buurt van Apeldoorn. ‘Zijn moeder werkte er misschien.’ Het niet-Joodse personeel was al lang voor de leegruiming ontslagen.

Plunderingen
Nadat de patiënten en een deel van het personeel naar Auschwitz waren gedeporteerd, werden een groot deel van de inboedel en de overige personeelsleden overgebracht naar kamp Westerbork. Er werd ook veel geplunderd. De zakken van de overalls van de mannen van de Ordedienst puilden uit. Bestek van het Apeldoornsche Bosch werd in kamp Westerbork door gevangenen gebruikt en vele jaren later door overlevenden aan het museum geschonken. Het zou natuurlijk kunnen dat niet alles naar kamp Westerbork is gebracht en de bevolking uit de omgeving van het Instituut een deel van de inboedel kon meenemen.
Het verhaal achter dit bundeltje bestek zullen we nooit achterhalen. Eens in de zoveel tijd komt er weer iets uit het Apeldoornsche Bosch tevoorschijn. Voor het Herinneringscentrum is dat een extra reden om aandacht te besteden aan het verhaal en het onvoorstelbare drama van het Apeldoornsche Bosch.

Guido Abuys
Conservator Herinneringscentrum Kamp Westerbork